Sinds 1 juli 2022 gelden aangepaste brandveiligheidsvoorschriften voor nieuwe parkeergarages. Ze zijn opgenomen in bijlage 7 van het KB Basisnormen, het koninklijk besluit van 7 juli 1994 zoals gewijzigd bij het KB van 20 mei 2022.
Welke brandbeveiliging nodig is, hangt onder meer af van de totale oppervlakte van de parking, de diepte van de parkeerbouwlaag en de oppervlakte van het grootste deelcompartiment.
Voor een parkeergarage met een totale oppervlakte van meer dan 250 m² is een voorgeschreven beveiligingstype vereist. Zonder autolift stijgt die grens tot 625 m², op voorwaarde dat geen enkel punt meer dan 45 meter verwijderd is van de ingang die voor de interventie van de brandweer bestemd is.
Afhankelijk van de situatie zijn sprinklers, RWA (rook- en warmteafvoer), een combinatie van beide, ventilatieopeningen of open parkeerbouwlagen toegelaten. Ook voorschriften rond onder meer branddetectie, evacuatie, deelcompartimentering en de toegang voor de hulpdiensten kunnen van toepassing zijn.
De officiële keuzetabel maakt onderscheid tussen verschillende dieptes en deelcompartimentoppervlaktes.
Voor parkeerbouwlagen tot en met 7 meter diep zijn vaak meerdere oplossingen mogelijk. Is een deelcompartiment groter dan 5.000 m², dan is in principe een combinatie van RWA en sprinklers vereist.
Voor parkeerbouwlagen tussen 7 en 14 meter diep geldt dat tot en met 2.500 m² doorgaans gekozen kan worden tussen RWA en sprinklers. Boven 2.500 m² is in principe een combinatie van RWA en sprinklers vereist.
Tussen 14 en 21 meter diep kan voor een deelcompartiment tot en met 1.250 m² nog gekozen worden tussen RWA en sprinklers. Bij grotere deelcompartimenten zijn beide systemen vereist.
Voor parkeerbouwlagen dieper dan 21 meter schrijft de keuzetabel de combinatie van RWA en sprinklers voor.
Dit is een vereenvoudigde samenvatting. Ook de totale parkeeroppervlakte, het beveiligingsconcept van de andere bouwlagen, open parkeerlagen en eventuele autoliften spelen mee. Voor parkings groter dan 60.000 m² gelden bovendien strengere voorwaarden. De precieze vereisten moeten daarom per parkeergebouw worden bepaald.
Een sprinklerinstallatie wordt uitgevoerd volgens een specifieke norm zoals NBN EN 12845 of NFPA 13.
Voor bepaalde kleinere en ondiepe parkeercompartimenten laat het KB specifieke afwijkingen toe. Dat wordt soms een “light”-uitvoering genoemd. Deze mogelijkheid geldt onder voorwaarden, waaronder:
Het gaat dus niet om een vrij te kiezen vereenvoudigd systeem, maar om nauwkeurig omschreven afwijkingen binnen de geldende normen.
Een sprinklerinstallatie bestrijdt de brand actief. RWA en ventilatieopeningen hebben een andere functie: ze voeren rook en warmte af. Beide functies kunnen elkaar aanvullen: sprinklers beperken de brandontwikkeling, terwijl rookbeheersing de evacuatie en de interventie van de brandweer ondersteunt.
Sprinklerkoppen reageren afzonderlijk op de warmte van een brand. Alleen de koppen die voldoende worden opgewarmd, treden in werking. Het water helpt de brand te beheersen, de temperatuur in de ruimte te verlagen en uitbreiding naar aangrenzende voertuigen te beperken.
Dat is bijzonder relevant in ondergrondse parkings. De beperkte toegankelijkheid, de dichte opstelling van voertuigen en de grote hoeveelheid kunststoffen kunnen de interventie van de brandweer bemoeilijken. Sprinklers kunnen bovendien de thermische belasting van de betonconstructie beperken en zo de gevolgschade verminderen.
Een sprinklerinstallatie kan ook worden meegewogen in de risicoanalyse van een verzekeraar. Het concrete effect op de premie blijft afhankelijk van de installatie, het gebouw en de polisvoorwaarden.
Een sprinklerinstallatie heeft voldoende water nodig, met de juiste druk en het vereiste debiet. Hoe die watervoorziening wordt uitgevoerd, hangt af van de installatie en de lokale mogelijkheden.
Een rechtstreekse aansluiting op het openbare waterleidingnet kan een optie zijn. Daarvoor is steeds toestemming van de watermaatschappij nodig en moet worden nagegaan of het net aan de vereiste prestaties voldoet. Ook in stedelijke gebieden is zo’n aansluiting dus niet vanzelfsprekend.
Wanneer een rechtstreekse aansluiting niet mogelijk of ontoereikend is, kan de installatie worden gevoed vanuit een waterreservoir met een brandpomp, aangedreven door een elektro- of dieselmotor.
Benvitec Solutions onderzoekt steeds of een onderwaterpomp mogelijk is. Doordat deze pomp in het waterreservoir wordt geplaatst, kan de benodigde ruimte voor het pomplokaal aanzienlijk afnemen.
Bij een uitvoering met een waterreservoir moet voldoende bruikbaar watervolume beschikbaar zijn om de installatie gedurende de vereiste tijd te voeden. Volgens de praktijkervaring van Benvitec Solutions bedraagt dat in veel gevallen ongeveer 60 m³. De exacte inhoud wordt per project berekend op basis van het vereiste debiet, de werkingsduur en de eventuele bijvulling.
Bij elektrische brandpompen moet ook de voeding bij stroomuitval worden voorzien. Voor parkings groter dan 2.500 m² geldt de vrijstelling van autonome stroomvoorziening niet. Een noodstroomvoorziening, bijvoorbeeld een noodgroep, moet dan in het ontwerp worden meegenomen.
De vrijstelling tot en met 2.500 m² geldt specifiek voor het beveiligingstype “Sprinkler”; ze mag niet zonder meer worden toegepast op een combinatie met RWA.
De federale Basisnormen gelden in de eerste plaats voor nieuwe gebouwen en, afhankelijk van de situatie, voor uitbreidingen en verbouwingen. Bij bestaande parkeergarages moet ook rekening worden gehouden met onder meer de oorspronkelijke vergunning, eventuele latere aanpassingen, lokale of gewestelijke voorschriften en de eisen van de bevoegde brandweer.
Een beoordeling op basis van uitsluitend de oppervlakte volstaat daarom niet.
Benvitec Solutions onderzoekt welke sprinkleroplossing past bij jouw parkeergarage. Daarbij bekijken we niet alleen de diepte, oppervlakte en compartimentering, maar ook de wateraansluiting, de benodigde watervoorraad, de pompinstallatie en de beschikbare ruimte.
Zo krijg je een onderbouwd voorstel op maat van het gebouw.
Bronnen:
Onze experts helpen je: