Lastenboek
HDPE-bekleding van betonconstructies

1. Voorwerp

Deze post omvat het leveren en plaatsen van een vloeistofdichte HDPE-bekleding voor betonconstructies, met inbegrip van alle benodigde hulpstukken, passtukken, bevestigingen, lasverbindingen, afdichtingen, herstellingen en beproevingen, teneinde een volledig vloeistofdicht en duurzaam systeem te bekomen.

2. Materiaal

De HDPE-bekledingsplaten dienen te voldoen aan de bepalingen van het standaardbestek 250 versie 5.0 hoofdstuk 43.4.

2.1 Grondstof

De HDPE-bekleding wordt geëxtrudeerd uit een compound op basis van polyethyleenhars klasse HDPE 63 overeenkomstig NBN T42-008. Enkel antioxidantia, koolzwart (carbon black) en noodzakelijke hulpstoffen voor de extrusie zijn toegestaan; bijkomende toevoegingen tijdens de extrusie zijn verboden. Het compound bevat 2,0 tot 2,6 % (m/m) koolzwart, homogeen en constant verdeeld.

De volumemassa van het basishars, bepaald volgens NBN EN ISO 1183, bedraagt minimaal 930 kg/m3. Voor eenzelfde compound blijft de smeltindex, bepaald volgens NBN EN ISO 1133-2, binnen +/- 20 % van de bij aanvaarding vastgelegde waarde. Het gehalte aan vluchtige stoffen, bepaald volgens bijlage A van NBN EN 13244-1, bedraagt maximaal 350 mg/kg. Het gebruik van gerecycleerd materiaal is verboden.

2.2 Vorm en afmetingen

2.2.1 Dikte

De nominale dikte van de HDPE-bekledingsplaten bedraagt:

  • 2,0 mm (+/- 0.14 mm)
  • 3,0 mm (+/- 0.17 mm)
  • 4,0 mm (+/- 0.20 mm)
  • 5,0 mm (+/- 0.23 mm)
  • 8,0 mm (+/- 0.32 mm)
  • 10,0 mm (+/- 0.38 mm)
 

2.2.2 Breedte en lengte

De breedte en lengte van de bekledingsplaten worden door de partijen onderling bepaald in functie van de bikistingsfases. Dit alles met als uitgangspunt een zo hoog mogelijke integriteit en continuïteit van de vloeistofdichte barrière na te streven.

De aannemer dient dit aan te tonen door middel van een legplan waarin de gekozen afmetingen en het ontwerp worden onderbouwd.

2.2.3 Vorm en verankering

Aan een zijde hebben de bekledingsplaten geïntegreerde verankeringsvoorzieningen uit hetzelfde materiaal als de platen; verankeringen en platen vormen één geheel. De minimale hoogte van de verankeringsvoorzieningen bedraagt 13 mm, met een minimum van 420 ankers per m2. De verankeringen zijn gelijkmatig verdeeld en zodanig ontworpen dat de bekleding tijdens het storten en tijdens de levensduur mechanisch verankerd blijft in het beton.

De gladde zijde vertoont geen fouten die schadelijk zijn voor de kwaliteit, zoals groeven, blaren, insluitsels of scheuren. De hechtzijde vertoont geen fouten die schadelijk zijn voor de hechting in het beton. De bekledingsplaten zijn haaks afgezaagd; de uiteinden zijn glad en ontbraamd.

2.3 Fysische en mechanische eigenschappen

De fysische en mechanische eigenschappen van het materiaal moeten voldoen aan de geldende normen en zijn minimaal als volgt:

  • Rek bij breuk: minimaal 200 %
  • Treksterkte: ca. 20 N/mm2
  • Gebruikstemperatuur: -30 °C tot +80 °C
  • Minimale hechtsterkte tussen bekleding en beton: 0,30 MPa
 

2.4 Voor te leggen documenten

De aannemer dient – vóór levering – de technische fiches en conformiteitsattesten van de materialen ter goedkeuring voor te leggen aan het werkbestuur.

3. Uitvoering

3.1 Algemene bepalingen

De HDPE-bekleding wordt uitgevoerd als een continu, vloeistofdicht systeem dat volledig verbonden is met de onderliggende betonconstructie.

Beschadigingen aan de bekleding zijn niet toegestaan en worden onmiddellijk hersteld volgens de richtlijnen van de fabrikant en ter goedkeuring van het werkbestuur.

3.1.1 Ervaring van de aannemer

De aannemer beschikt over aantoonbare ervaring met het leveren en plaatsen van HDPE-bekleding voor betonconstructies.

De aannemer dient minimaal 3 referentieprojecten voor te leggen met een bewezen levensduur van minimaal 10 jaar.

Per referentie worden minstens volgende gegevens voorgelegd:

  1. Locatie
  2. Uitvoeringsjaar
  3. Omvang (m²)
  4. Schriftelijke bevestiging van de opdrachtgever dat de bekleding gedurende minstens 10 jaar in dienst is zonder functionele gebreken inzake vloeistofdichtheid en hechting
 

3.2 Plaatsing

De platen worden met de gladde zijde tegen de bekisting geplaatst en zodanig bevestigd dat een correcte positionering tijdens het betonstorten gewaarborgd is.

De plaatsing gebeurt met de nodige nauwkeurigheid, zodat een correcte uitvoering van de lasverbindingen mogelijk is. De breedte van bevestigingsmiddelen bedraagt maximaal 15 mm.

In hoeken worden de platen geplooid of stuik tegen elkaar geplaatst.

Bij vloerplaten wordt de bekleding geplaatst volgens een systeem dat een volledige ondersteuning verzekert.

3.3 Afdichtingen en details

Alle openingen in de bekleding, onder meer voor bevestigingen en afstandhouders, worden vloeistofdicht afgedicht door middel van opgelaste lasstrips.

Doorvoeringen worden vloeistofdicht uitgevoerd met gepaste aansluitstukken (rozetten, flenzen, manchetten,…)

De platen worden onderling verbonden met een minimale overlapping van 50 mm. Indien geen gebruik wordt gemaakt van sluitingsprofielen, worden lasbanden of strips toegepast die de platen minimaal 50 mm overlappen.

4. Lassen

De verbinding van de HDPE-platen gebeurt uitsluitend door middel van extrusielassen. Stomplassen is enkel toegestaan voor prefabtoepassingen.

De te lassen oppervlakken worden vooraf gereinigd en mechanisch voorbereid, zodat alle verontreinigingen en oxidatie verwijderd zijn.

De laswerken mogen uitsluitend worden uitgevoerd door lassers die aantoonbaar gecertificeerd zijn voor het lassen van thermoplastische kunststoffen. De lassers dienen te beschikken over een geldig certificaat overeenkomstig NBN-EN 13067:2020.

De aannemer legt – vóór aanvang van de werken – de geldige lascertificaten ter goedkeuring voor aan het werkbestuur.

De lassen moeten volledig vloeistofdicht zijn, vrij zijn van scheuren, poriën of andere gebreken, en mechanisch gelijkwaardig zijn aan het basismateriaal. Indien het werkbestuur hierom verzoekt, kunnen bijkomende proeflassen worden uitgevoerd ter verificatie van de lasbekwaamheid.

5. Controles en beproevingen

5.1 Algemeen

Alle lasverbindingen en aansluitingen worden systematisch gecontroleerd. De aannemer stelt de resultaten van alle proeven ter beschikking van het werkbestuur door middel van een lasrapport met bijhorende lascertificaten.

5.2 Dichtheidsproeven

De dichtheid van de lassen wordt gecontroleerd door middel van:

  • een hoogspanningstest, uitgevoerd in functie van de plaatdikte (ca. 10 kV per mm), of
  • een drukproef met een minimale testdruk van 50 mbar.

Er mogen geen lekken of defecten worden vastgesteld.

5.3 Mechanische proeven

Voorafgaand aan de werken en vervolgens dagelijks worden proeflassen uitgevoerd waarop trekproeven worden uitgevoerd.

De trekproeven voldoen aan volgende eisen:

  • proefstukken met breedte 15 tot 25 mm;
  • treksnelheid 100 mm/min;
  • minimale rek 30 % zonder breuk in de laszone.
 

5.4 Aanvullende controles

Volgende controles worden uitgevoerd:

  • visuele inspectie van de bekleding en verankering;
  • controle van de algemene vloeistofdichtheid.

6. Meetwijze

De meting gebeurt per vierkante meter (m2).

De aantallen zijn vermoedelijke hoeveelheden.

📄

Download ons lastenboek
Een gedetailleerde omschrijving van onze aanpak om betonconstructies te beschermen.

📄

Download onze whitepaper
En ontdek hoe beton wordt aangetast, hoe je schade herkent en welke oplossingen er bestaan.

💬

Stel je vraag Heb je een concrete vraag? Ons team bespreekt graag je installatie en welke aanpak het meest geschikt is.